:31:01
Leg een kleed in de auto. Het is koud
als je naakt moet rondlopen.
:31:15
Ben je zover ?
:31:20
Kom op. Stap in.
:31:27
- Waar is 't kleed ?
- Achterin.
:31:29
Ik bevries. Zo vriezen de pegels
nog van een eskimo af.
:31:35
Stop een eindje weg.
Ik geef je de boeken door het raam.
:31:39
- Er staat 'n wacht.
- Wat kan die uitrichten ?
:31:42
Ik moet de boeken hebben.
Ik werk in jouw lab aan 't tegengif.
:31:47
Soms maak ik jou onzichtbaar,
dan kan ik rusten.
:31:50
Ik liep naar huis na de lunch
:31:52
toen iets opeens m'n hoed greep
en 'm in de vijver gooide.
:31:57
- Hoeveel had u gedronken ?
- Twee glazen maar.
:32:01
Twee glazen en een windvlaag.
U kunt wel gaan.
:32:05
En nu de fiets.
Waar is de eigenaar van de fiets ?
:32:09
Hier. Hij werd zo uit m'n handen gerukt.
Toen reed ie de straat uit, vanzelf.
:32:16
Stop hier maar.
:32:20
Kom op, eruit.
:32:26
Loop de straat uit met je tas. Ik leid
je wel. Wacht bij 't raam op de boeken.
:32:31
Doe ze in de tas en ga naar de auto.
Wacht daar op me.
:32:36
Staar niet zo naar me. Kijk voor je.
:32:39
Kom op, lopen.
:32:43
Hier is het, Kemp, hierbinnen.
:32:52
Hier. Loop maar op en neer,
alsof je op iemand wacht.
:32:56
Kijk of het raam opengaat.