:43:00
Een familiestuk. M'n vader heeft
er tot z'n dood uit gedronken.
:43:09
Is hij rustig in z'n slaap gestorven?
:43:13
Hij raakte bekneld
in een dorsmachine.
:43:18
Heb ik u van streek gemaakt?
-Helemaal niet.
:43:22
Ik heb zelf de dood
meermalen onder ogen gezien.
:43:28
Onlangs nog.
:43:36
Arnie, wat heb je daar?
-Een konijn.
:43:44
Hoe noem je het?
-Dood. Het is niet van mij.
:43:48
Van u. U heeft het geschoten.
:43:50
Daar kunt u
een lekkere stoofpot van maken.
:43:54
Ik heb eindelijk 'n konijn geschoten.
Waar lag het?
:43:58
In de bosbessentaartjes.
In het bos.
:44:03
Eén taartje voor één konijn. Goed?
:44:06
Het was een twee-taartjeskonijn.
:44:10
Ik moet er vandoor.
:44:24
Het is een mooie middag,
vindt u niet?
:44:29
Zeker.
:44:32
En u bent...u bent een aardige vrouw.
:44:36
Ik vind u ook heel aardig.
:44:41
Terug naar ons probleempje. Harry.
Wat doen we met hem?
:44:45
Dat komt wel goed. Vóór de avond
ligt hij onder de grond.
:44:50
Al dat gespit.
Kunt u hem niet gewoon...
:44:54
in de vijver laten glijden?
:44:59
Zodat hij als een kurk
komt bovendrijven? Mij niet gezien.