:41:00
We zijn al negen weken op zee.
Het kan niet ver meer zijn.
:41:06
Ook niet dichtbij.
:41:11
De geur van de zee hier
staat me niet aan. Net een hoer.
:41:15
Natuurlijk.
:41:17
Daarom gaan zeelui naar zee.
:41:21
En waarom gaat hij daar naar zee?
Dat weet niemand. Hij zegt nooit iets.
:41:30
Kapitein Pinzon wil aan boord komen.
:41:42
Je hebt tegen me gelogen.
We hebben allang 750 mijl afgelegd.
:41:47
Zes dagen geleden al.
- Je bent gek.
:41:51
Niet schreeuwen.
- Er staat muiterij op uitbreken.
:41:55
Zou ik dat niet weten?
- We zijn verloren.
:42:01
Ik weet zeker dat er land is.
- Je weet helemaal niets.
:42:05
Dit zijn mijn schepen.
We gaan terug, zeg ik je.
:42:09
Het water is voor de helft op,
de rest is bijna bedorven.
:42:13
Ik had nooit naar je moeten luisteren.
- Hoor nou, Pinzon.
:42:17
Het enige dat we kunnen doen...
:42:21
...is verdergaan. Er is daar land...
:42:25
...dichtbij.
- Vertel jij ze dat dan maar.
:42:42
God wil niet dat we de oceaan over-
steken. Er rust 'n vloek op deze reis.
:42:48
We zijn uitgevaren uit hebzucht.
God heeft ons verlaten.
:42:52
Deze reis is vervloekt,
er zijn tekenen.